Hoofdstuk 29.
Alles ging zijn gangetje,
mijn baasje was al drie keer geweest, toen op zekere dag er een kat in het
kooitje beneden mij werd gezet.
Nieuwsgierig als ik was
vroeg ik wie hij was.
Hij had een heel
eigenaardige naam.
Zijn naam was J.W.H maar men
noemde hem Joost.
Hoe hij dat uitsprak was al
om te lachen, alsof hij iets heel warms in zijn bekje had.
Hij was heel geleerd want
hij zat altijd voor de TV van zijn baasje en leerde alles wat daar werd
vertoond.
Ik vroeg hem dus waarom hij
bij Herman was gekomen.
Wat hij toen vertelde daar
had ik nog nooit van gehoord, hij had last van Alopecia!
Ik ben een kattus bonus als
ik daar iets van snapte.
Ondertussen waren de andere
poezen en katten naast mij ook wakker geworden en hoorde ons gesprek
heel verbaasd aan.
Ik vroeg hem of hij dat niet
zelf op kon lossen.
Daar wenste hij niet op te
antwoorden!
Nee, nou zal nog leuk
worden, nog hoog van de toren blazen ook!
Toen sprak Joost dat hij de
kooi helemaal niet zo hoog vond staan en zeker niet torenhoog!
Alle poezen en katten rolden
in hun kooitjes van plezier nadat hij dit had gezegd.
Wat een vreemde snuiter,
gewone poezentaal begreep hij niet!
Ik besloot hem te vragen of
hij nog broers en zusters had.
Het bleek dat hij nog één
broer en twee zussen had die allemaal uithuizig waren.
Dat begrepen wij dus niet,
hoezo uithuizig, als wij poezen naar buiten gaan zijn wij toch allemaal buiten
ons huis?
De aap kwam uit de mouw toen
Joost vertelde dat zijn twee zussen in dienst waren van een bedrijf.
Poezen in dienst van een
bedrijf?
Dat was toch altijd
andersom!
Mensen zijn toch in dienst
van ons?
Ik kon mij niet voorstellen
dat er poezebeesten waren die bij mensen in dienst waren.
Mensen moeten ons altijd
verzorgen, ons eten geven wanneer wij dat wensen bijvoorbeeld.
Of ons aanhalen wanneer wij
dat willen, niet wanneer de mensen dat willen!
Mensen moeten ons verzorgen,
niet andersom toch?
Volgens Joost begrepen wij
er helemaal niets van, alleen hooggeplaatste en hoogbegaafde poezen mochten
dit.
Nou, wij waren blij dat wij
enigszins normale poezen waren.
Joost vertelde dat zijn twee
zussen al diverse prijzen hadden gewonnen.
Jaja, ik won elke dag een
prijs, mijn volle voedselbakje bijvoorbeeld!
Nadat wij enigszins bedaard
waren van het lachen ging Joost verder met vertellen.
Zijn zussen hadden al
diverse schoonheidsprijzen behaald in hun klasse.
Poekkie( de poes naast mijn
kooitje) had dat eens op TV gezien, poezen die rechtop zaten en die
in hun bekje gekeken werden
of hun tandjes wel waren gepoetst.
Ook werd hun vacht bijna
elke vijf minuten geborsteld en soms kregen ze in hun vacht een strikje.
Dus al wij het goed hadden
begrepen kregen de zussen van Joost prijzen alleen omdat ze een strik hadden,
zich telkens lieten
borstelen en daarbij hun witte tandjes lieten zien?
Tina liet bij wijze van grap
haar stompjes van tanden zien waarop iedereen het uitmiauwde van het lachen.
Wat hadden wij een lol met
Joost, nooit geweten dat een kat die zo sullig was als hij ook lollig kon zijn.
Het werd een hele discussie
tussen ons, de normale poezen, en Joost die niet begreep dat er zulke
eigenwijze en vreemde poezen
bestonden.
Wij hadden alleen nog geen
antwoord op onze vraag wat nou Alopecia was!
Allicht zal Herman dat wel
weten, ook hij was geleerd, alleen gedroeg hij zich gelukkig normaal.
Toen Herman dus na een
tijdje binnenstapte vroeg ik dus aan hem wat dat moeilijke woord nu betekende.
Herman keek mij eens
onderzoekend aan en vroeg of ik meende wat ik zei.
Ik was nog nooit zo serieus
geweest want ik wilde de betekenis weten van dat moeilijke woord.
Dat moeilijke woord
betekende dus dat iemand last had van overmatig haaruitval volgens Herman.
Nadat Herman dit had verteld
en naar de spreekkamer was gegaan miauwden wij het uit van het lachen.
Mmiaauuw, dus Joost had last
van kale plekken
mwraawwwawah.
Dan had hij dus de kale
plekken prijs zeker gekregen miauhawaw.
Nu had hij binnenwerk
gekregen in plaats van buitenshuis bezig te zijn
Mhiaumahaha..
Wij kwamen niet meer bij van
het lachen en bij sommigen rolde er tranen uit hun oogjes puur van het lachen.
Wij waren door het dolle
heen toen, in een poging ook wijs te doen, tina aan ons vroeg of wij al
kataplexie hadden.
Proestend antwoordde ik dat
Joost het wel zal weten, ik in ieder geval niet.
Toen sprak Joost, met zijn
eigentijdse uitspraak, dat kataplexie een plotseling optredende verslapping of
verstijving van spieren is als gevolg van een vreselijke lachbui of plotselinge
woede.
Ik bleef enkele ogenblikken,
met mijn bekje wijd opengesperd van verbazing, naar Joost kijken.
Hadden wij iemand gevraagd
wat dat moeilijke woord was dan?
Wat wij toen van Joost als
antwoord kregen hadden wij nooit verwacht.
Joost zijn volledige naam
was Joost Weet Het, afgekort door Joost.
Hij kon het ook niet helpen
dat hij bijna alles wist wat normale poezen niet weten.
Het enige wat hij deed was
dieren helpen die het niet wisten en het aan hem vroegen, vandaar de naam.
Dat hij daarbij nogal sullig
overkwam was een logisch gevolg van het eeuwige leren.
Wij moesten hem maar niet
kwalijk nemen dat hij alles wist en dat hij zo raar op ons overkwam.
Onder normale omstandigheden
had hij ons nooit tegengekomen.
Mismoedig keerde Joost zich
om en ging zijn slaapplekje opzoeken.
Voor de tweede maal binnen
korte tijd viel mijn bekje open van verbazing.
Plots voelde ik medelijden,
eigenlijk een soort medeleven.
Wat een stelletje oenen
waren wij.
Goed, Joost was een sul en
wist alles beter maar om iemand daarom uit te lachen ging zelfs mij te ver.
Voorzichtig draaide ik mij
om en met mijn kopje naar beneden, zodat ik Joost kon zien, miauwde ik dat wij
ons eigenlijk diep schaamden
omdat wij om hem zo onbedaarlijk hadden gelachen.
Zonder zijn kopje op te
heffen miauwde Joost terug dat hij dat inmiddels wel gewend was,
maar dat hij het nooit leuk
vond.
Gelukkig waren er ook poezen
die hun fouten inzagen en zich verontschuldigden, zoals ik meende Joost.
En zo was de vrede weer
getekend.
Nadat ik met mijn pootje
even tegen zijn kopje had getikt stond Joost weer op en begon zich schoon te
likken.
Nog voordat iemand ook maar
iets kon zeggen sprak Joost, met een lichte twinkeling in zijn oogjes, dat hij
zich niet schoonlikte om een prijs te verdienen maar om zijn losse haren weg te
krijgen.
Nu moest iedereen, ook
Joost, lachen en was iedereen blij dat ook hij even een normale kat was.